VENSTER OP HET VERRE OOSTEN

(19 april 2007)
 

Na elk bezoek aan deze regio bekruipt mij steeds de gedachte aan onze wederopbouw-periode na de Tweede Wereldoorlog. In die tijd hadden we twee voordelen boven Azië:
 

1)

wij beschikten reeds over de nodige kennis en infrastructuur

2)

 

wij werden bij onze wederopbouw gerugsteund door het Marshall Plan, dat ons weer binnen redelijk korte tijd op de been bracht, meedeinend op het Duitse ‘Wirtschaftswunder’.

 
In het Verre Oosten is men veel meer op zich zelf aangewezen maar wel nadrukkelijk met een schuin oog hoe wij het hier hebben aangepakt. Nu kunnen we constateren dat we in het Westen in een verzadigingseconomie leven, terwijl er in Azië sprake is van een ongewoon sterke groei. Daarbij wordt in tegenstelling tot met name in Europa bijzonder veel in onderwijs geïnvesteerd en lopen er jaarlijks honderdduizenden studenten “van de lopende band”. Als wij hierop niet adequaat weten in te haken zullen we op enige termijn onze economische oren moeten laten hangen naar Azië. Als één ding duidelijk is dan is het dat men zich deze krachtige economische groei niet meer wenst te laten ontglippen en er volop deel van wenst uit te maken. De middenklasse is er in volle opkomst.
 
Dragers van de groei
De drang naar economische verbetering is ongekend sterk en de inzet fenomenaal. Dat komt mede door het gebrek aan een sociaal vangnet als gevolg waarvan ook de niet economisch actieve familieleden in leven moeten worden gehouden. Dit op zich geeft al een extra ‘impetus’ aan de economische groei. De snelle groei wordt mede bevorderd door de lange werkdagen van dikwijls 10 – 12 uur (!) met niet meer dan één rustdag alsmede de zevendaagse openstelling van winkels, warenhuizen, fabrieken en uiteraard de horeca. Op veel locaties kun je je zelfs na middernacht nog een goed diner laten smaken.
 
Een ander punt van voorsprong zijn de lage lonen, waarin de sociale component ontbreekt. Het reservoir goedkope arbeidskrachten met name in de grootste landen China en India is nog zo immens, dat de concurrentiekracht van Azië alleen om deze reden vooralsnog ongekend groot zal blijven. Het is mede hieraan te danken dat onze inflatie als gevolg van de goedkope importen (kleding, schoeisel, ict randapparatuur en vele andere zaken) laag kan blijven.
 
Nadeel is de afhankelijkheid van buitenlandse grondstoffen. Ondanks de forse stijging hiervan is het effect nauwelijks of niet terug te vinden in een groeiafname. De buitenlandse valutareserves vormen immers een forse buffer.
 
Keerzijde
Is het alleen maar hosanna? Zeker niet! Eén van de grootste problemen tekent zich af in het milieu. Hieraan wordt in hun ijver nog veel te weinig aandacht besteed. Ook het bewustzijn leeft afgezien van de zeer grote steden nog veel te weinig. Groei is prioriteit nummer één, het milieu is nog veel te weinig zichtbaar zowel in het verkeer, de energievoorziening als in de productiesfeer. In dit opzicht wordt met de vinger naar de V.S. als grootste vervuiler gewezen.
 
Men zegt in Azië: laat de V.S. als “grote economische roerganger” eerst zelf maar eens het goede voorbeeld geven. Dan volgen wij wel. Toch begint hier en daar wel het besef door te dringen, dat in de toekomst de economische gevolgen van het huidig economisch handelen een aanslag op de vooruitgang zouden kunnen plegen.
 
Milieuverslechtering
Echter, zo lang er in China wekelijks een nieuwe kolencentrale wordt opgeleverd en er tegelijk een groot gebrek aan goed drinkwater ontstaat, lijkt vooralsnog de wal het schip te keren. Dit geldt niet alleen voor China maar ook met name voor landen als Thailand, Vietnam en India. Maar ook de rest van de wereld zal zich deze ontwikkeling op straffe van steeds meer natuurrampen moeten aantrekken (‘the inconvenient truth’!).
 
In dit kader lijkt het dan ook niet vreemd dat China z’n kolenafhankelijkheid wil terugbrengen van 70% naar 66% in 2010. Dat lijkt weinig maar men hoopt zulks te kunnen bewerkstelligen door de bouw van 30 nieuwe kerncentrales met nog eens 24 in de planning. Om een idee te hebben van de huidige energiemix in China geeft het persbureau Reuters de volgende opsomming: steenkool spant de kroon met bijna 70%, olie volgt met 21%, waterkracht met 6%, gas met bijna 3%, kernenergie met 0,8% en zonne- en windenergie met 0,1%.
 
Ongewoon sterke energievraag
Kernenergie wordt een steeds heter hangijzer in de wetenschap dat de vraag naar energie steeds sterker begint op te lopen. Zo is de wereldwijde vraag de afgelopen 10 jaar al met 25% gestegen! In China verwacht men voor de komende 10 jaar een verdubbeling van de energievraag. Geen enkele vorm van energieproductie behalve kernenergie zal in staat zijn op korte termijn (de komende 10 jaar) de kolencentrale te doen vervangen. Meer kernenergie is bijgevolg onafwendbaar.
 
Kernenergie meest reële alternatief
Verschillende landen in Azië inclusief Thailand, waar men er tot voor kort nog geen voorstander van was, zijn voornemens hun nog relatief geringe kernenergieprogramma’s fors uit te breiden. De uraniumprijs is in een luttel aantal jaren van minder dan 7 naar boven de 110 dollar per pound opgelopen. Analisten speculeren nu reeds op een prijs van 1000 dollar per pound. Dit zegt op zich al veel over de ingezette trend. Aangezien de keuze tussen minder en meer groei niet wordt gemaakt, is het kiezen tussen een om zich heen grijpend verslechterend milieu of een toenemende berg kernafval. Bovendien spelen mee de afnemende afhankelijkheid van politiek instabiele olielanden en de juist geringe prijsafhankelijkheid van uranium.
 
Hoe belangrijk de energiefactor is wordt bijvoorbeeld duidelijk wanneer China buiten de andere energiedragers de olienoodvoorraden fors wenst uit te breiden van 2 naar 4 weken. Dat is echter nog niets vergeleken met de 90 dagen, die de landen van de OESO aanhouden.
 
Valutastijging onafwendbaar
Voorts tekent de groei zich vooralsnog af in een uiterst zuinige stijging van de Aziatische valuta’s tegenover de dollar en de euro. Op termijn –  zodra de binnenlandse vraag met name in China de exportcijfers overstijgt en dit land minder van z’n export afhankelijk wordt – zal  een verdere valutastijging onhoudbaar worden. China zit nu nog met een berg van meer dan 1000 miljard dollar en zal deze voorzichtig aan meer en meer gaan aanwenden voor eigen investeringen in plaats van in Amerikaans schuldpapier om te zetten.
 
Flexibeler valutabeleid
Op een recente bijeenkomst van ministers van Financiën en centrale banken van de groep van tien aangesloten landen plus China, Japan en Zuid-Korea in Chang Mai in Thailand werd hierop reeds een voorschot genomen. Er werd aangedrongen op een flexibeler valutabeleid om het hoofd te kunnen bieden aan de steeds volatieler wordende  kapitaalstromen tegen de achtergrond van een afzwakkende dollar, waarop steeds moeilijker te interveniëren valt. Zo namen Thailand en Vietnam al hun toevlucht tot het instellen van zgn. foreign exchange controls om te voorkomen dat de nationale munt te veel in waarde zou oplopen. Men hoopt een en ander tijdens een nieuwe meeting in Tokyo op 5 mei aanstaande beter af te stemmen.
 
Hierin zal ook aandacht worden geschonken aan de introductie van maatregelen om de kapitaalmarkten verder open te stellen voor elkaar en het zo makkelijker te maken in elkaars landen te kunnen investeren.
 
Visie Asean Development Bank
De Asian Development Bank meldde voorts dat er in Azië voor de komende 10 jaar een bedrag van meer dan 3000 miljard dollar nodig zal zijn om de infrastructuur te verbeteren. De groei wordt nog te veel belemmerd door inadequate electriciteitsvoorziening, water- en transportnetwerken. Hierdoor zou ook de concurrentiepositie in het geding zijn.
 
Verder meldde deze bank dat een versnelling van de economische ontwikkeling binnen de groep van tien landen, dus zonder China, Japan en Zuid-Korea zou kunnen worden bewerkstelligd middels een beter beheer van de 370 miljard dollar aan valutareserves.
 
Kortom, bij een nog beter gestructureerde groei in dit werelddeel zullen we in het Westen nog meer op onze tellen dienen te letten.
 
Robert Broncel
19 april 2007

Research Team  www.score-investments.nl