DE GOUDMARKT
(26 september 2006)

 

Factoren die de goudprijs bepalen:
 

 a)
 

de jaarlijkse goudmijnproductie, bedraagt thans niet meer dan 61% van  het totale aanbod

 b) het voortgaande ‘de-hedging’ proces bij een aantal goudproducenten
 c)
 

de totale jaarlijkse verkopen door de centrale banken, ca. 17% van het totale aanbod

 d) het ‘scrap’ (afval) aanbod, ligt op gemiddeld 22% van het totale aanbod
 e) de vraag


Sub a
) De totale jaarlijkse productie neemt niet toe maar af. Zo is de productie in Zuid-Afrika geslonken tot 300 ton tegen nog 1000 ton in 1980. Maar dat geldt niet alleen voor dit land. ’s Werelds grootste goudmijnen Grasberg in Indonesië en Yanacocha in Peru hebben eveneens een structurele terugval in hun productie laten zien. Ook in Australië loopt de productie al sinds 1998 terug.
 
Het goudaanbod is teruggelopen als gevolg van te geringe investeringen in  de exploratie van nieuwe c.q. verbetering van bestaande mijnen alsmede de intussen gestegen kosten. Deze ontwikkeling ontstond na het inzakken van de goudmarkt in 1980 na een hoogtepunt van US$ 850 en heeft tot begin deze eeuw geduurd met een laagste goudprijs van US$ 252 in 2001. Wel is dit tij aan het keren met geschatte investeringen ten totale van ruim 7 miljard dollar in 2006. Dat is meer dan in de afgelopen 17 jaar. Voorts blijkt dat hoge kwaliteitsprojecten (lagere exploratiekosten!) schaars zijn. Omdat het vaak 5 tot 10 jaar duurt voordat een nieuwe mijn operationeel is, wreken zich hier de jarenlange onderinvesteringen. Dus dat betekent dat er de eerstkomende jaren geen vloedgolf aan nieuw aanbod in zicht is.
 
Tijdens een recente mijnbouw bijeenkomst georganiseerd door Merrill Lynch, één van de grootste zakenbanken in Amerika, werd nog eens benadrukt dat er minder nieuwe vondsten worden gedaan, de kwaliteit van die vondsten terugloopt, steeds meer uitputting in zicht komt en de exploratiekosten sterk zijn gestegen. Het gevolg is meer consolidatie in de vorm van fusies en overnames. Op deze wijze hopen de mijnen zo lang mogelijk te kunnen overleven, met een voorlopig hoogtepunt in de overnames van Placer Dome door Barricks, Glamis Gold door Goldcorp. (hierover binnenkort meer) en Cambior door IamGold.
 
Uit een en ander blijkt dat de jaarlijkse goudmijnproductie vooralsnog op geen enkele wijze in staat zal zijn in voldoende mate aan de marktvraag te voldoen. Ergo, de goudmarkt zal“niet zonder afval en het bankenaanbod kunnen”, daar het er naar uit ziet dat het totale aanbod aan mijngoud voorlopig verder afneemt.
 
Volgens onze bevindingen zou Rusland op de langere termijn (5 à 6 jaar) misschien voor enig tegenwicht kunnen zorgen maar dan moet de goudprijs wel verder omhoog. De geschatte winningskosten reiken nu al tot 600 dollar per ounce. Voor Rusland is de voorraad echter belangrijker dan de winning omdat het land de verloren gegane politieke invloed in de wereld probeert te herwinnen middels de zich in de bodem bevindende strategische grondstoffenreserves. De consequenties van dit streven worden steeds manifester.
 
sub b) ‘De-hedging’ wil zeggen afbouw van het op termijn verkopen van de productie tegen een vooraf afgesproken prijs. Door de snelle stijging van de goudprijs leverde het goud voor de ‘hedgers’ minder geld op en werd er door  deze mijnbouwers tegen spotprijs goud aangekocht om de eigen voorraad straks hopelijk tegen een hogere prijs te kunnen verkopen. In het vooruitzicht van een stijgende goudprijs wordt deze activiteit verder afgebouwd met een uitloop tot 2008. ‘Hedging’ werkte alleen bij een stabiele of dalende goudprijs. Bij een stijgende goudprijs werkt dat nadelig. Belangrijkste ‘hedgers’ waren/zijn Barricks Gold en Placer Dome, intussen door Barricks overgenomen.
 
sub c) De 15 Europese banken (de Eurozone plus Zweden maar zonder Engeland) hebben middels hun European Gold Agreement (EGA) in 2004 voor een nieuwe periode van 5 jaar afgesproken hun jaarlijkse verkoopplafond op te hogen van 400 naar 500 ton per jaar. Dit mede tegen de achtergrond van de dalende mijnbouw productie.
 
sub d) Het ‘scrap’ aanbod is van alle tijden en tendeert toe te nemen naarmate de goudprijs (vooral in snel tempo) oploopt. Volgens een in augustus uitgebrachte studie van de World Gold Council bedroeg het ‘scrap’ aanbod in de eerste helft van dit jaar 581 ton tegen 402 ton over dezelfde periode in 2005.
Gezien deze snelle toename wordt thans weer een afname verwacht.
 
sub e) De vraag valt ook weer in delen uiteen. Zo is de vraag vanuit de juwelenmarkt met 71% verreweg het grootst. De (professionele) beleggingsvraag ligt op ca. 18% (dit percentage leent zich voor een verdere uitbouw), terwijl het restant wordt opgenomen door de industrie en de tandartsenij. De juwelenvraag is prijsgevoelig. Dit werd al zichtbaar bij een goudprijs van US$ 500 vorig jaar.
 
De vraaguitval in de eerste helft van dit jaar bleek volgens dezelfde studie 24% te zijn geweest vergeleken met de eerste helft van 2005. Bij een bepaalde rust in de markt keert deze vraag normaliter geleidelijk weer terug. Uit de heftige bewegingen en de terugval van de goudprijs dit jaar viel duidelijk een grote mate van speculatie af te lezen.
 
De grootste directe vraag komt uit Azië met India voorop en het Midden-Oosten*) als goede tweede. China met een marktpotentie aanzienlijk groter dan India wordt de nieuwe markt sinds de particulier sinds kort weer goud mag kopen. Dat is logisch gezien de cultuur van oudsher alsmede het ontbreken van een lange monetaire traditie zoals wij die kennen. Was het niet onze roemruchte V.O.C. die middels haar Westindische zuster op jacht moest naar het edelmetaal om daarmee de in het Oosten vergaarde producten te kunnen afnemen?
 

*)


 

Intussen weten we ook dat Saudi-Arabië de goudvoorraad heeft opgehoogd van 7,9% in 2005 naar thans 11% van de uitstaande dollarreserve in 2006 en daarmee verder gaat. Het land produceerde vorig jaar gemiddeld 9,6 miljoen vaten per dag. Het land doet geen uitspraken over haar reserves.


Marktcyclus

In welk deel van de marktcyclus bevinden we ons? Voor de korte termijn zijn de “geleerden” het hierover nog niet eens. Onduidelijk nog is in hoeverre de Amerikaanse economie zal afzwakken. Een stagnerende groei heeft ongetwijfeld repercussie voor de rest van de wereld. Zover is het nog niet. Echter gezien de fase van ontwikkeling in de twee voormalige communistische wereldmachten plus India wordt geen blijvende substantiële terugslag in de wereldwijde groei dus ook niet in de grondstoffenmarkt verwacht. Lagere grondstoffenprijzen, die voor de korte termijn in prijs wellicht nog verder kunnen uitdiepen, zullen daar juist eerder weer voor een versnelling kunnen gaan zorgen.
 
Zoals ook na de Tweede Wereldoorlog (wederopbouw) wordt er opnieuw van een economische ‘supercycle’ gesproken. Een standaard voorbeeld is staal. China ligt nu op een staal”consumptie” van 270 kg per hoofd. In Japan ligt dat cijfer op ruim 800 kg per hoofd. Voor China is er nog een heel eind te gaan, in de gedachte dat het land in oppervlakte “iets” groter is dan Japan en de bevolking in omvang ook “iets” groter is dan de Japanse. Dus veel meer infrastructuur en bouw zal nodig zijn om het land verder te ontwikkelen. Het zelfde geldt voor India, waar Mittal nu een cruciale speler is geworden.
 
Hoe vertaalt zich een en ander in de toekomstige goudprijs?
1) Doordat er meer uitputting dreigt, de exploratiekosten stijgen en mijnbouwers liever productiecapaciteit kopen dan zelf te moeten investeren in nieuwe activiteiten is dat positief voor de marktprijs. De algemene verwachting is dat de vraag bij een zich normaal ontwikkelend patroon - schokken daargelaten - op termijn alleen maar zal toenemen, ja zelfs hierdoor geprikkeld kan worden.
 
NB. Marktverstoring kan optreden door de activiteiten van hedgefunds. Deze zijn bijvoorbeeld nu weer in de tegenaanval gegaan door ‘short’ te gaan dwz. ze hebben goud en andere grondstoffen categoriën verkocht om deze straks (volgend jaar) goedkoper te kunnen terugkopen. Dit in de verwachting dat de wereldeconomie (licht) zal afzwakken en de winstgroei in de grondstoffensector eveneens wat lager zal uitvallen. Het ‘short’ gaan legt tegelijk ook een bodem onder de markt.
 
In hoeverre hedgefunds verder actief zullen blijven in de grondstoffensector is onduidelijk. Hedgefunds als Amaranth*) en het kleinere Motherrock thans en Long Term Capital Management in 1998 tonen aan hoe makkelijk en tegelijk hoe ernstig het fout kan gaan. Het ware beter wat minder opportunistisch te handelen!
 

*)

 

Amaranth had zich naast gas ook diep in de goudmijnen gestoken met een lijst van een kleine 30 fondsen, die thans dienen te worden afgestoten. Een en ander kan tijdelijk extra druk op de koersen van de goudmijnfondsen. Opleveren.


De Europese Centrale Bank waarschuwt niet voor niets, dat de activiteiten van hedgefondsen de wereldwijde financiële stabiliteit in het geding brengen. Dit vraagt bij voorrang om strakkere spelregels.
 
2) In ieder geval weten we hoe groot de maximale verkoop capaciteit van de centrale banken is. Tevens komt er enig zicht op de goudreserve intenties van diverse (centrale) banken in het Verre- en Midden-Oosten. Echter, het allerbelangrijkste facet wordt gevormd door het internationale vertrouwen in de dollar. Dit element zal krachtiger blijken te zijn dan alle andere factoren bij elkaar en kan leiden tot een ware explosie van de goudprijs als het fout dreigt te gaan. In het gerenommeerde Amerikaanse beleggingsblad Barron’s werd onlangs in dit kader al een goudprijs van 8000 dollar geïndiceerd. Maar laten we maar liever ‘down-to-earth’ blijven.
 
Prognose Citigroup

Citigroup, één van de grootste banken ter wereld, kwam in augustus j.l. met een rapport waarin de verwachting werd uitgesproken dat de goudprijs voor dit jaar op 630 dollar zal uitkomen, voor volgend jaar wordt een schatting gemaakt van 700 dollar en 750 dollar in 2008. Er werd direct aan toegevoegd dat men niet verrast zou zijn als het goud in deze periode het vorige hoogtepunt van 850 dollar in 1980 zou testen. Dit komt vooral door het verwachte opdrogen van het ‘scrap’ aanbod na aanvankelijk in de tweede helft van 2005 en in de eerste helft van 2006 met 50% te zijn gestegen.
 
Ook ING Bank voorziet een herstel van de goudprijs tegen de achtergrond van een zwakke(re) dollar als gevolg van de niet geringe en alsmaar repeterende handelstekorten (groeiend met ruim 2 miljard dollar per dag!) en de verder oplopende staatsschuld in de V.S. alsmede een toenemende vraag vanuit de institutionele wereld.
 
Noot: We mogen de signalen van de FED, het IMF en  het IEA evenwel niet in de wind slaan. Deze dienden nadrukkelijk om paal en perk te stellen aan de snelle stijging van de grondstoffen en bijgevolg de toenemende inflatiedreiging te beteugelen.
 
Het gevolg hiervan is nu een onzeker marktbeeld in de V.S. vermoedelijk resulterend in een lagere groei en bijgevolg ook minder vraag naar allerlei grondstoffen. Onverhoedse incidenten daargelaten liggen lagere grondstoffen prijzen in het nabije verschiet. Dat is gunstig voor de inflatie en ook gunstig voor een evenwichtiger groei. Goud zal zich naar alle waarschijnlijkheid  niet aan deze trend onttreken. Er is sprake van twee majeure weerstandspunten en dat zijn US$ 558 en mogelijkerwijs US$ 450. Hoe lager de prijs hoe gunstiger de aankoop!
 
Doelgericht in goud beleggen
Door te beleggen in aandelen van mijnbouwers profiteert men bij prijsstijging doorgaans aanzienlijk meer dan door fysiek goud aan te kopen - in baar, middels een goudrekening bij de bank of middels gouden munten. Opties en warrants hebben het nadeel van de expiratie.
 
Onder de “goudmijners “ bevinden zich een aantal grote bekende zoals Newmont Mining, Barricks Gold, AngloGold Ashanti, Gold Fields etc. Grote mijnbouwers kennen minder risico maar ook minder doorgroeipotentie. Zij profiteren van een hogere goudprijs. Als het alleen om bescherming van de koopkracht van de portefeuille gaat dan is belegging hierin zonder meer aan te bevelen. Een andere mogelijkheid is beleggen in ambitieuze jongere mijnbouwers.
 
‘Juniors’, meest lucratief en attractief
Veel lucratiever maar ook met meer risico omgeven is het beleggen in kleinere mijnbouwers (‘juniors’) met aanzienlijk meer groeiperspectief. Deze profiteren in de eerste plaats van de nieuw gevonden aantoonbare reserves en behalen daarmee hun grootste winstgroei. Een stijgende goudprijs is natuurlijk een extra ‘booster’. Tevens is de kans aanwezig dat een fonds met een nieuwe vondst  wordt overgenomen nog zonder dat er een spade de grond in is gegaan. Dat is dan de derde factor van betekenis.
 
‘Juniors’ komen regelmatig tot stand middels staf afkomstig van de grote ‘broers’ die bepaalde onderdelen (exploratie gebieden met vergunning) afstoten omdat deze qua omvang met hun ‘overhead’ niet meer rendabel zijn te maken. Dat betekent voor een dergelijk jonge mijnbouwmaatschappij in dat geval dat er ervaren “stuurlui op de brug staan” met alle benodigde geologische kennis van het gebied in kwestie. Er blijken onder deze ‘juniors’ zeer attractieve kanshebbers te zitten. Dikwijls kennen ze optisch nog een laag instapniveau, zodat zonder veel kapitaalinzet hierop reeds een voorschot kan worden genomen.
 
Focus op meest kansrijke fondsen
Onze aandacht gaat in hoge mate uit naar ‘juniors’ met de meest kansrijke perspectieven. Hiertoe wordt o.m. gebruik gemaakt van specifieke bronexpertise. We beperken ons bij voorkeur tot geopolitiek gezien de veiligste gebieden ter wereld zoals de V.S., Canada en Australië. We letten daarbij op de kwaliteit van de erts voorkomens alsmede de winningskosten per ounce. Hoe lager deze zijn hoe groter de winstgroei.
 
PS. In het verleden zijn we buitengewoon succesvol geweest met het uitbrengen van aanbevelingen op dit terrein, die alle op ruime winst staan (zie ons overzicht van 10 juli j.l.) en wij stellen ons ten doel deze traditie voort te zetten.
 
Research Team
26 september 2006
www.score-investments.nl