VENSTER OP HET VERRE OOSTEN
(17 april 2006)

 
Een reis naar Azië levert steeds opnieuw een fascinerend beeld op. Nergens ter wereld is de inzet en toewijding zo hoog. De hoge gemiddelde groei van 6% à 7% is noodzakelijk om de armoede terug te dringen. De Wereldbank achtte het meest verrassend, dat de gestegen olieprijs alsmede de stijgende rente tot dus ver zo weinig invloed hebben gehad op de groeiontwikkeling. Niettemin moet er rekening worden gehouden met enige groeivertraging als gevolg van deze factoren.
 
Locomotief van de wereldeconomie
Maar ondanks dat, wie had gedacht dat Azië binnen enkele jaren na de crisis in 1997 de locomotief van de wereldeconomie zou worden, zou niet serieus zijn genomen. Intussen worden er in deze regio jaar op jaar groeicijfers neergezet, die meer dan het dubbele zijn van de groeicijfers van Europa en Amerika samen. Zonder de schuldfinanciering door China en in mindere mate door Japan, Zuid-Korea en Taiwan zou president Bush wellicht de oorlog in Irak hebben moeten staken.
 
Dat laatste is alleen mogelijk door de herinvestering van de verdiende dollars in Amerikaans schuldpapier. In 2005 werd door deze regio voor meer dan 2.000 miljard dollar (!) geëxporteerd. Als aandeel in het BNP (Bruto Nationaal Product) is dit verreweg het hoogste in de wereld. China geldt als ‘leader of the pack’ met India in het kielzog en Japan intussen als ontwaakte derde.
 
Thailand
Een land, dat in onze wereld onderbelicht blijft is Thailand, waarvan de helft van de bevolking van Chinese origine is. Goed, het is economisch minder dominant aanwezig dan de bovengenoemde grote drie, maar blaast z’n partijtje ondanks sars, de vogelpest, de gestegen olieprijs, de tsunami en de stijgende rente (de Thaise baht is immers dollar gerelateerd)  dapper mee. De groei is door deze tegenslagen nauwelijks aangetast, terwijl het vertrouwen in de Thaise economie onverminderd positief blijft. Wel is de vraag gewettigd hoe verder na de jongste verkiezingsuitslag. Gezien de stabiele uitstraling van het koningshuis, de Thaise inventiviteit en veerkracht zal er ongetwijfeld een passende oplossing worden gevonden.
 
Tot nog toe heeft de politieke onzekerheid weinig invloed gehad op de economie als zodanig. Het investerings- en consumptiepatroon laten een consistente groei zien. De buitenlandse investeringen (Japan met 4,4 miljard als grootste) rezen vorig jaar met maar liefst 62% naar 12,5 miljard dollar. De export steeg vorig jaar naar een ‘all time high’ van ruim 100 miljard dollar.
 
Voorts werd de groei over het vierde kwartaal 2005 van 4,1% naar 4,2% naar boven bijgesteld, resulterend in een gemiddeld jaarcijfer van 4,5%. Dat is weliswaar lager dan China en India, maar deze landen moesten van “heel ver” komen. Volgens de UNCTAD (United Nations Conference on Trade and Development) geldt Thailand thans als de derde meest attractieve vestigingslocatie in de regio na China en India en als negende in de wereld.
 
De Wereldbank gaat nog verder en voorziet een groei van 5% in 2006. Dit mede vanwege plannen van de Thaise overheid in de komende vier jaar een bedrag van ruim 46 miljard dollar beschikbaar te stellen voor grote infrastructurele werken.
 
De Thaise concurrentiekracht klom volgens het World Competitiveness Yearbook uitgegeven door het Zwitserse Institute for Management Development (IMD) eveneens naar de negende plaats na landen als Amerika, Canada, Australië, Taiwan, China, Japan, U.K. en Duitsland.
 
Thailand wordt door buitenlandse investeerders gezien als één der aantrekkelijkste landen om activiteiten te ontplooien. Volgens Richard Ellis, één der grootste makelaarshuizen ter wereld, is kantoorruimte in Bangkok goedkoper dan waar ook in Azië met uitzondering van Kuala Lumpur en Bombay. Dit geldt ook voor de kosten van werknemers, nutsvoorzieningen en het belastingklimaat. Opvallend is dat eveneens de kostengroei lager is dan in andere delen van Azië. Menig Nederlands bedrijf  kan daarmee z’n voordeel doen.
 
Los hiervan verdampt de vraag bijna in hoeverre de door de tsunami getroffen delen in het zuiden zich zouden herstellen van deze rampspoed. Zeker tegen de achtergrond van het uitblijven van financiële hulp door de overheid. Het mag frappant worden genoemd, dat ook hier het herstel zich nadrukkelijk aftekent. Dit geldt in het bijzonder Phuket en dan met name Patong, het “Zandvoort” van het eiland. Alle lidtekens zijn intussen nagenoeg uitgewist. Het leven bruist er weer alsof er zich nooit een ramp heeft voorgedaan, gesteund door het in ruime mate terugkerende toerisme. Ook buitenlandse investeerders zoals Deutsche Bank, Lasalle Investments alsmede verschillende investeerders uit Hong Kong en Singapore hebben zich weer aangediend. ‘Sideline’: de locale vastgoedmarkt beweegt zich in een gestaag opgaande lijn alsof er nooit een tsunami is geweest.
 
Singapore heeft de directe luchtverbinding met Phuket weer hersteld en de verwachting is, dat ook andere luchtvaartmaatschappijen op korte termijn zullen volgen. Voor de meeste Europeanen is Phuket evenwel nog een station te ver. Hier bestaat nog de indruk, dat het fraaie heuvelachtige Phuket grotendeels van de aardbodem is weggespoeld.
 
Maleisië
Een ander land met minder ‘exposure’ in het westen is Maleisië, waarvan de bevolking voor bijna een derde Chinees is. Premier Abdullah heeft onlangs een nieuw vijfjarenplan bekend gemaakt met de bedoeling het land in 2020 te laten toetreden tot de rijen van de ontwikkelde naties. In dit plan wordt 220 miljard ringgit of 59 miljard dollar gereserveerd om een flinke ‘uptick’ te geven aan de economische en sociale ontwikkeling van het land. Dit plan geldt als een blauwdruk voor de verdere ontwikkeling tot 2020. Hierin wordt een groei voorzien van 6% op jaarbasis afgezet tegen een huidig groeicijfer van 4,5%.
 
De bedoeling is om hiermee een brug te slaan tussen de drie belangrijkste bevolkings-groepen: de Maleisiërs, de Chinezen met 30% en de Indiërs voor 8% deel uitmakend van de bevolking. Het zijn de Maleisiërs als de grootste bevolkingsgroep, die op economische achterstand staan. Het plan gaat zeer ver door aan de beurs genoteerde bedrijven in de toekomst te verplichten 30% van het aandelenkapitaal te alloceren voor Maleise investeerders c.q. beleggers. Zomede worden bedrijven zonder Maleisiërs in het bestuur uitgezonderd van lucratieve overheidscontracten. Werkgevers zullen quota moeten aanhouden voor het inhuren van Maleise werknemers, die als ‘sons of the soil’ of zonen van eigen bodem worden aangeduid.
 
Natuurlijk zijn dit rigoureuze en ingrijpende maatregelen, maar ze zullen bij een adequaat uitgevoerd beleid wel leiden tot een uiteindelijke verbreding van de welvaart. En daar is het om te doen! Geplande projecten zijn o.m. een grondige verbetering van de waterwegen, rioolsystemen alsmede de aanleg van nieuwe verkeersaders en bruggen in dichtslibbende verstedelijkte centra zoals Penang en de hoofdstad Kuala Lumpur, waar zich tevens de belangrijkste industriële centra bevinden.
 
Het moge duidelijk zijn, dat er een zware ‘overspill’ plaats vindt vanuit de grote naar de kleinere Aziatische landen. Zelfs in volledig vercorrumpeerde landen als de Filipijnen en Indonesië wordt iets van een verbetering waarneembaar. Vooralsnog hebben deze onze voorkeur (nog) niet.
 
Robert Broncel
Pasen 2006
www.score-investments.nl