VENSTER OP DE V.S.
(14 juli 2004)

 
Vele malen is in deze column reeds gewezen op het zgn. triple sister schuld”complex” in de V.S. – (1)  het budgettaire tekort jaarlijks opgeteld bij de staatsschuld, (2) het jaarlijks terugkerende en steeds verder uitdijende tekort op de handelsbalans alsmede (3) de particuliere schulden uitgedrukt in een negatieve spaarquote. Vorig jaar steeg bijv. het particuliere inkomen met 3,29%, terwijl de schuld opliep met ruim 10%. De totale particuliere schuld is intussen doorgestegen naar ruim 9300 miljard dollar, een verdubbeling vergeleken met het jaar 2000. Dat ligt niet ver af van het totale bruto nationaal product! Nu er geen geld meer kan worden vrijgemaakt door hypotheken goedkoper over te sluiten en er geen nieuwe auto’s e.a. zonder rente en aanbetaling op de pof kunnen worden gekocht, zullen er veel meer nieuwe en beter betaalde banen bij moeten komen om het consumptieproces gaande te houden.
 
Waar moet dat allemaal naar toe nu de rente begint op te lopen? De enige redding is inflatie. Immers, inflatie doet schulden relatief krimpen, omdat het geld minder waard wordt. Dat zagen we ook in de jaren ’70. Zal het systeem van Centrale Banken – de Federal Reserve System (FED) – hieraan meewerken?
 
In wezen doet de FED niet anders dan de drukpers wagenwijd open zetten, waardoor de waarde van het geld daalt. Het gevolg hiervan was dat de korte rente tot het laagste peil sinds W.O. II reikte. De stortvloed aan geld dwong de belegger om dure obligaties met een laag rendement te kopen of met grote voorkeur aandelen te kopen tegen een veel te hoge koers/winstverhouding, zodat de Standard & Poor nog steeds met meer dan 30% en de Nasdaq met ca. 65% is overgewaardeerd. Vandaar dat de Dow niet veel meer dan 1000 punten onder z’n ‘all time high’ staat en de Nasdaq alweer meer dan 50% boven het dieptepunt van 1200 punten. Deze standen stonden een half jaar geleden ook al op de borden.
 

Bij de beleggers heerst duidelijk aarzeling. Want, is er veel reden voor toekomstige positieve beursverwachtingen? Neen, zelfs niet als de bedrijfswinsten meevallen. Eenvoudig omdat de economie niet in een groeiklimaat verkeert, hooguit in een van overheidswege gekunsteld (vanwege omvangrijke belastingteruggaven en ultra lage rente) door schulden gestimuleerd groeiklimaat. De omslag zal naar alle waarschijnlijkheid pas evident worden na de presidents-verkiezingen begin november. Een belangrijke indicatie hiertoe is de negatieve rente. Dit is de netto rente tussen het huidige inflatiecijfer en de korte rente. Bij een inflatie van 3 1/4% en een korte rente van 1 ¼ % (onlangs met een kwart procent verhoogd) is de negatieve rente bijgevolg 2%. Dit impliceert een negatieve opbrengst bij belegging in obligaties, het fiscale aspect daarin nog buiten beschouwing gelaten.
 
Een negatieve rente vormt doorgaans het keerpunt van een deflatoir economisch scenario  naar een inflatoir scenario, van waardepapier naar ‘hard assets’ (olie, goud en andere natuurlijke hulpbronnen) en van rust naar onrust op de financiële markten. We hebben het hier over de langere golfbeweging. In beleggingsjargon wordt gesproken van de zgn. lange pendule swing. Obligaties en aandelen zullen steeds meer aan waarde inboeten, m.u.v. uiterst selectieve aandelen in de bedrijfsinnovatieve of in de commoditysfeer.
 
Renteverhogingen zullen een verdere daling van de dollar niet kunnen tegenhouden, tenzij de Aziaten grootschalig Amerikaans schuldpapier blijven kopen.
 
In de jaren 1964 – ’81 liep de korte rente op van 4% naar 21%. De Dow steeg in die tijd slechts met 1 punt. Daarna begonnen inflatie en rente stelselmatig te dalen. In de jaren ’81 – ’01 liep de Dow op van 800 naar ruim 11000 punten en de Nasdaq van 100 naar ruim 5000 punten. Aandelenbelegging was in die periode het meest winstgevend. Deze “hausse” keert voorlopig niet terug, zoals het ook daarvoor 17 jaar duurde voordat de ‘boom’ in aandelen zich in 1981 begon af te tekenen. Tot nu toe leek als gevolg van de excessief lage rente en de belastingmaatregelen een soort rustpauze te zijn ingelast. Maar je kunt nu eenmaal niet straffeloos schulden blijven maken en zeker niet in de orde van grootte zoals thans in de V.S. plaats vindt. 
 
Hoewel minder sterk dan vroeger blijkt olie nog steeds dé inflatie aandrijver bij uitstek.

De olieprijs laat weinig ruimte tot daling, tenzij de economie wereldwijd instort en dat is vooralsnog niet aan de orde. Wel is er veel ruimte voor een verdere prijsstijging, om 3 redenen:
 

1)

 

de wereldoliereserves stijgen niet, ergo nemen af; anderzijds staan oliemaatschappijen nog steeds te veel aan de zijlijn als het gaat om grootscheepse investeringen in nieuwe raffinagecapaciteit (Amerika!) en in exploraties

2)
 

tegelijkertijd neemt de vraag hand over hand toe met name vanuit het Verre Oosten

3)

de politieke onrust in het rijkste oliegebied ter wereld: het Midden Oosten.

 

In sommige kringen wordt al gesproken van een structurele olieprijs van boven $ 70 per vat. Tegelijkertijd wordt in financiële kringen een renteaanzet verwacht naar 3% of meer in de eerste helft van 2005. Intussen zijn de hypotheek aanvragen in de maand juni al met meer dan 50% gedaald vanuit de optiek dat de huizenmarkt intussen over z’n hoogtepunt heen is.
 
Verder zou op basis van goud/dollar koopkracht pariteit de goudprijs thans op minstens $700 moeten liggen. Reden waarom dat tot nog toe niet is gebeurd ligt in de verkopen door de centrale banken en het I.M.F. De centrale banken hebben er alle belang bij de goudprijs maar mondjesmaat te zien oplopen, omdat een snelle stijging zou duiden op afnemend vertrouwen in papiergeld. Maar eens is ook hier de koek op, vooral juist omdat de Europese centrale banken goud móeten verkopen om de overheidstekorten enigszins in bedwang te houden. Dat hoor je ze evenwel niet zeggen! Het credo is uiteraard “vertrouwen” blijven wekken!
 

Samengevat kunnen we stellen, dat zich in het begin van dit millennium een aantal “majeure” ontwikkelingen hebben voltrokken:
 

* de 20-jarige ‘bull market’ in aandelen is in 2001 geëindigd
* in hetzelfde jaar eindigde de 7-jarige ‘bull market’ in de dollar
*
 
en begon goud zich in dat jaar van het dieptepunt ad $ 250 per troy ounce te herstellen met een eerste perspectief naar $500.

Het zijn deze ontwikkelingen, die als trendsignaal mogen worden opgevat ter markering van het einde van een opgaande economische conjunctuur. Een en ander wordt gestalte gegeven door toenemende inflatievrees en afnemend beleggersvertrouwen, alle “zoethoudende” uitspraken ten spijt.
 
Maar zult u misschien zeggen, de Amerikaanse economie zou zich toch kunnen optrekken aan de ontwikkelingen in Azië? Echter, men diene zich te bedenken, dat de meeste Aziatische economieën dollar gerelateerd of op z´n minst dollar geörienteerd zijn. Als de rente stijgt in Amerika, gebeurt dat natuurlijk ook in de Aziatische regio. Probleem is hier de nog steeds onevenwichtige schuldpositie. De beurzen aldaar zijn er reeds op vooruit gelopen. De Chinese ´benchmark´ was 17% in de min vanaf het hoogtepunt in April, Thailand en India waren ruim 20% lager, terwijl Taiwan en Zuid-Korea zelfs ruim 30% lager scoorden.
 
En vergeet niet, nu China’s economische macht sterk in opkomst is en de Chinese centrale overheid het vertikt om de eigen munt bij te stellen in de vorm van een revaluatie, zullen de V.S. zich bij een stijgende rente – dus hogere kosten – door China met een arbeidsinkomen variërend van $75 per week tot $ 75 per maand nog meer uit de internationale markt gedrukt weten. Dit laatste zou voor de Fed een reden kunnen zijn om de rente niet te veel en niet te snel te verhogen om daarmee de dollar ten prooi te laten aan de internationale marktfactoren.
 
Op deze wijze kan de inflatie de schulden het meest verzachten. Voor de beurzen is dit alles natuurlijk geen goed nieuws.
 
Op grond van de huidige stand van zaken lijken niveaus van 7000 voor de Dow, 900 voor de Standard & Poor en 1500 voor de Nasdaq in het kader van de eerder genoemde penduleswing eerder werkelijkheid dan een droom.
 
Robert Broncel
14 juli 2004

www.score-investments.nl