VENSTER OP HET VERRE OOSTEN
(2 november 2004)

 
Zojuist teruggekeerd van mijn jongste Aziatische reis kom ik niet meer vrij van de gedachte, dat wij straks economisch volledig zullen worden overvleugeld bij het uitblijven van adequate maatregelen aan deze zijde. Immers, realiseert u zich dat wij in Azië te maken hebben met een 24-uurs economie gedurende 7 dagen per week en 12 maanden van het jaar, met inkomens variërend van 1 – 6 dollar per dag, zonder stakingen, zonder het fenomeen verzorgingsstaat en (nog) zonder een vergrijzingsprobleem.
 
Nu Azië de wonden heeft gelikt van de crisis ontstaan in 1997 lijkt met de geliberaliseerde markt niets meer in de weg te staan om een grootschalige inhaalmanoeuvre in te zetten.

De enorme groei in het vooral Chinees gedomineerde deel van Azië w.o. landen als Thailand, Maleisië en wellicht in een ietwat verder verschiet Indonesië, maar ook India wordt nu al vergeleken met het ‘Wirschaftswunder’, zoals dat na de Tweede Wereldoorlog in gang werd gezet in wat toen West-Duitsland heette. De situatie is tot op zekere hoogte ook vergelijkbaar. De motor tot de economische groei in West-Europa bleek met name door het Marshall-plan in gang gezet. Thans bezitten diverse Aziatische landen gigantische dollarreserves, die als platform dienen voor de verdere economische uitbouw.
 
Bekijken we de situatie wat nader aan deze kant dan kunnen voor wat Europa betreft vaststellen, dat de rek tot economische groei door de “wurgende” afspraken van Maastricht (zeer beperkte inflatiegroei, afbouw staatsschuld tot 60% van het bruto nationaal product en indamming van het begrotingstekort tot maximaal 3% van het jaarlijkse bnp) er aardig uit is. Terwijl in de V.S. nog wel sprake is van enige groei, maar dan toch in ieder geval geheel door schuld gefinancierd. Met Irak in het kielzog wordt deze schuld bovendien alsmaar groter. Dat zet het vertrouwen in de dollar zoals de afgelopen 2 jaar reeds is gebleken verder onder druk.
 
Door de groei met schuld te stimuleren, is er in de V.S. nog geen sprake van een economische teruggang geweest. Mede ook als gevolg van de daling van de dollar. Omdat met name de Chinese munt is ‘gepegged’ aan de Amerikaanse dollar is er wel vanuit de V.S. druk uitgeoefend om de yuan te revalueren. Maar de Chinese staat met een zak van ca. 1100 miljard dollar zal er vooralsnog niet over piekeren om op dat bezit “moedwillig” af te schrijven. Een duurdere yuan haalt uiteraard de angel uit het Chinese handelsoverschot met de V.S. Maar daardoor zal China ook minder naar Amerika kunnen exporteren.
 
Europa daarentegen richt zich op een keiharde euro om daarmee de inflatie in de hand te kunnen houden. Tegelijkertijd dient ook het vertrouwen in de nog jonge europese munt te worden geschraagd. Als gevolg van inherente bezuinigingen wordt de groei juist vertraagd. Op welke wijze kunnen wij dan de slag met Azië aan? Wel, in de eerste plaats door krachtig te innoveren en er voor te zorgen dat er een sterke kenniseconomie ontstaat. Dat lukt niet zonder stevig te investeren vooral in het hoger en het technisch onderwijs. Verder zullen wij bereid moeten zijn bepaalde verworvenheden van de welvaartsstaat gedeeltelijk over boord te zetten om onze concurrentiekracht te versterken. Hoewel reeds zichtbaar is zal er uit concurrentieoverwegingen door het Europese bedrijfsleven nog veel meer in Azië moeten worden geïnvesteerd.
 
Hoewel Bush alle kritiek verdient op z’n rigoreuze financieringsbeleid speelt hij het spel misschien toch wel “slimmer” dan wij denken. Immers, doordat het vertrouwen in de dollar aanzienlijk is afgenomen en de dollar daardoor al met bijna 50% ten opzichte van de euro is gedaald is bijgevolg de concurrentiepositie van de V.S. richting Europa intussen met datzelfde percentage verbeterd. Dat geldt overigens niet voor de Aziatische regio waar de landen min of meer een dollar-“verhouding” hebben. Het gevolg is dat de Aziatische concurrentiepositie daardoor ook sterk is verbeterd. Tevens zien we hoe betrekkelijk dan de sterk gestegen olieprijs is!

 

De rekening zal ons straks keihard worden gepresenteerd wanneer er enerzijds te veel aan Maastricht wordt vastgehouden en anderzijds tegemoet wordt gekomen aan de eisen van de vakbondsleiders. Hun eisen zouden aanzienlijk gematigder luiden, indien zij zich een beter beeld zouden hebben gevormd van wat er zich daadwerkelijk in de buitenwereld afspeelt. Het “eilandbeeld” is niet meer.

 

Politici staan voor een groot dilemma met betrekking tot de vraag hoe het in dit werelddeel verder moet. De eerste scheuren van Maastricht zijn inmiddels zichtbaar geworden en naar het zich laat aanzien zijn deze niet gemakkelijk te dichten zonder de groei verder op de tocht te zetten. Europa bevindt zich duidelijk in een vicieuze cirkel. Het gemorrel over arbeidsvoorwaarden zet slechts aan tot meer winstderving door de kosten, die een en ander met zich meebrengt. De economische groei wordt daardoor dubbel bemoeilijkt.

 

Azië daarentegen kent geen handenbindertjes anders dan de hoge olieprijs. Deze heeft vooral impact op landen, die over te weinig eigen oliebronnen beschikken (China en India). Daardoor zal de economische groei weliswaar afnemen. Maar er is nog altijd een groot verschil tussen een afnemende groei van enkele procentpunten vanaf 8% of 9% (Azië) dan wel een afnemende groei vanaf < 2% (Europa) of  > 3% thans in de V.S. Ongeacht de stijging van de olieprijs luidt de verwachting, dat hoe dan ook de groei in Azië hoger zal blijven dan in de rest van de wereld. Dat betekent dat het echte geld niet buiten maar juist in Azië wordt verdiend!

 

Robert Broncel
2 november 2004
www.score-investments.nl

 

www.invision-investments.nl